Hoofdstuk 2 - De weg naar het Westen
Nadat de zwarte vogel verdwenen was, bleef Elias lange tijd bewegingloos staan.
De regen hing weer normaal buiten het raam.
De klok tikte.
Het vuur brandde.
Alles zag eruit alsof er niets gebeurd was.
Maar niets was meer hetzelfde.
Zijn broer leefde.
Of iemand wilde heel graag dat hij dat geloofde.
Beide mogelijkheden waren gevaarlijk.
Elias had vijftien jaar lang geprobeerd niet aan zijn broer te denken.
Dat klinkt eenvoudig.
Dat was het niet.
Zijn broer, Miro, was ouder.
Grappiger.
Roekelozer.
Het soort mens dat zonder waarschuwing een rivier in sprong omdat hij benieuwd was waar die vandaan kwam.
Miro had ooit een week lang een wolk gevolgd.
Niet figuurlijk.
Letterlijk.
Een wolk.
Toen hij terugkwam had hij een zak vol vreemde stenen meegenomen en een verhaal verteld over een dorp waar iedereen achteruit sprak.
Niemand had hem geloofd.
Dat gebeurde vaker.
Op een ochtend was Miro verdwenen.
Geen brief.
Geen lichaam.
Geen spoor.
Alleen een natte laars die drie dagen later aanspoelde in de haven.
Sindsdien sprak bijna niemand zijn naam nog uit.
Alsof de stad geloofde dat verdwenen mensen terug konden komen als je ze teveel aandacht gaf.
Of juist voorgoed verdwenen bleven als je dat niet deed.
Twee uur later liep Elias door de regen.
Zijn werkplaats had hij afgesloten.
De brief zat in zijn jaszak.
Naast een klein mes.
Een kompas.
En een flesje lenteregen.
Meer had hij niet meegenomen.
Voor het eerst in zijn leven ging hij op reis zonder kaarten.
De westelijke poort van de stad stond open.
Dat was opvallend.
Normaal werd die alleen geopend voor handelaren.
Vandaag stond er niemand.
Geen wachter.
Geen administrateur.
Geen poortmeester.
Niets.
Elias stopte onder de boog van de poort.
Keek achterom.
De stad lag grijs en stil achter hem.
De zwarte daken glommen in de regen.
Schoorstenen rookten.
Mensen liepen door de straten.
Het zag eruit als iedere andere dag.
Maar ergens diep vanbinnen wist hij dat wanneer hij terugkwam, iets veranderd zou zijn.
Misschien de stad.
Misschien hijzelf.
Buiten de stad begon het Bos van Fluisterhout.
Iedereen kende dat bos.
Niemand ging er graag heen.
Niet omdat het gevaarlijk was.
Maar omdat het irritant was.
Bomen praatten.
Niet slim.
Niet nuttig.
Gewoon vervelend.
"Links." zei een boom zodra Elias voorbij liep.
"Niet luisteren." zei een andere.
"Die vogel loog." mompelde een derde.
"Technisch gezien weten we dat niet." antwoordde een vierde.
Elias versnelde zijn pas.
Hij had ooit drie dagen vastgezeten in het bos omdat twee eiken een discussie begonnen waren over de juiste richting naar het noorden.
De regen werd zachter.
Langzaam veranderde het landschap.
De heuvels werden hoger.
De bomen ouder.
De wereld stiller.
Tegen de avond zag Elias iets tussen de stammen.
Licht.
Hij bleef direct stilstaan.
De brief.
"Volg onder geen enkele omstandigheid het licht in het bos."
Dat klonk als uitstekend advies.
Daarom keek Elias er ongeveer twintig seconden naar.
Het licht zweefde tussen de bomen.
Warm.
Goudkleurig.
Bijna uitnodigend.
Toen hoorde hij gelach.
Niet het gelach van mensen.
Van kinderen.
Dat was erger.
Want er woonden geen kinderen in dit deel van het bos.
Langzaam doemden figuren op.
Tientallen.
Kleine gestaltes.
Met lantaarns.
Witte maskers.
En veel te lange armen.
Onder normale omstandigheden zou Elias onmiddellijk zijn omgedraaid.
Onder normale omstandigheden was hij echter niet op zoek naar een broer die vijftien jaar geleden verdwenen was.
De figuren stopten.
Keken.
Wachtten.
Toen wees één van hen naar het westen.
Niet naar het licht.
Niet naar hun groep.
Naar een donkere doorgang tussen de bomen.
En vervolgens verdwenen ze.
Allemaal tegelijk.
Alsof iemand ze had uitgegumd.
Dat was nieuw.
En bijzonder onrustgevend.
Elias liep verder.
Twee uur later bereikte hij een open vlakte.
Daar stond een herberg.
Dat klinkt niet bijzonder.
Tot je hoorde wat de naam was.
________________________________________
DE LAATSTE HALTE VOOR MORGEN
________________________________________
De herberg stond volledig alleen.
Midden in nergens.
De ramen straalden warm licht uit.
Muziek klonk van binnen.
En voor de deur stonden zeven lege stoelen.
Precies zeven.
Toen Elias dichterbij kwam viel hem iets op.
Op iedere stoel stond een naam gegraveerd.
Zes kende hij niet.
De zevende wel.
________________________________________
MIRO
________________________________________
De regen stopte.
Volledig.
Zijn hart sloeg een slag over.
De naam was oud.
Versleten.
Die stond daar al jaren.
Misschien langer.
Voorzichtig legde Elias zijn vingers op het hout.
Onder de naam zat iets uitgekerfd.
Klein.
Bijna onzichtbaar.
Een boodschap.
________________________________________
Ik was hier.
Eet de soep niet.
________________________________________
Elias staarde ernaar.
Van alle boodschappen die zijn verdwenen broer had kunnen achterlaten...
was dit exact het soort boodschap dat Miro zou achterlaten.
Geen uitleg.
Geen antwoorden.
Alleen een waarschuwing over soep.
Binnen werd gelachen.
Glazen klonken tegen elkaar.
Iemand speelde viool.
Een hond blafte.
Het rook naar vers brood.
Voor het eerst sinds hij vertrokken was voelde de reis echt.
Niet als een opdracht.
Niet als een raadsel.
Maar als een spoor.
En ergens in die vreemde wereld, vol pratende bomen en vogels die tijd konden stilzetten, leefde misschien een man die vijftien jaar geleden was verdwenen.
Elias pakte de deurklink vast.
Ademde diep in.
En stapte de herberg binnen.
Waar hij onmiddellijk negen mensen zag.
Een slapende beer.
Een vrouw met zilveren ogen.
Een man die een schaakwedstrijd speelde tegen een lege stoel.
En, aan de verste tafel bij het haardvuur...
iemand die exact hetzelfde fluitdeuntje floot als zijn broer vroeger altijd deed.
Hierbij hoofdstuk 2! Graag reacties en lees zeker door naar hoofdstuk 3!